In 2018 liepen er meer dan 8.500 trajecten bij de OCMW's om leefloners aan het werk te zetten. Dat blijkt uit cijfers die Vlaams parlementslid Axel Ronse uit Kortrijk (N-VA) opvroeg bij minister van Werk Philippe Muyters (N-VA).
Dat is opvallend, vindt Ronse, omdat het principe nog maar twee jaar bestaat. "De lokale politiek kan echt het verschil maken", zegt hij aan Knack.be.
Het principe van het tijdelijk werkervaringstraject (TWE) bestaat sinds 2017. De bedoeling is dat het OCMW zijn leefloon-cliënten aanmoedigt om aan de slag te gaan, vooral in de privéwereld. Ze krijgen hiervoor een loon van het OCMW, dat grotendeels door Vlaanderen wordt gefinancierd. Werkt de leefloon-cliënt in de private sector, dan kan het OCMW zelfs een deel van dat geld recupereren bij dat bedrijf.
Het uitgangspunt is dat het traject hoogstens twee jaar duurt. Aan het einde van de rit zou de leefloner genoeg werkervaring moeten hebben om door te stromen naar een job.
Uit cijfers die Ronse opvroeg bij partijgenoot en Vlaams minister van Werk Philippe Muyters, blijkt dat het systeem aanslaat. Waren er in 2017 nog 4.851 trajecten, dan klom dat aantal in 2018 tot 8.581. In dat laatste cijfer zit nog een gedeelte van de lopende trajecten uit 2017, maar volgens Ronse wijst alles erop dat het TWE-principe "op kruissnelheid is".
Taalfout opgemerkt?
Heb je een taal- of schrijffout opgemerkt in dit artikel?